Protestantse gemeente Houten
Opstandingskerk
6 januari 2013 - Epifanie
Lezing uit de profeten: Jesaja 60, 1-6
Evangelielezing: Mattheus 2, 1-12
Verkondiging:
In de verhalen van de kersttijd zoals wij die kennen en beleven, en die vandaag wordt afgerond, vermengen we argeloos en moeiteloos de twee tradities van Lukas en Mattheus.
De eerste (Lukas) vertelt van de herders en de engelen en van keizer Augustus. Zijn collega, Mattheüs, vertelt van de wijzen uit het oosten en koning Herodes.
Veel kerstliedjes springen vrolijk van de ene naar de andere vertelling. ‘Herders op den velde hoorden een nieuw lied’ en ‘Wijzen uit het Oosten, uit zo verre land.’
Kijk maar naar de kerststal thuis: de herders met hun schapen staan broederlijk naast de wijzen met hun geschenken.
Vandaag, driekoningen, luisteren we naar Mattheüs. Nu gaat het over de magiërs, die met grote blijdschap hun ster opnieuw zien verschijnen.
Grote blijdschap. Ik weet niet hoe het u vergaat maar ik ben altijd weer benieuwd waarom ze daar nou precies zo blij zijn.
Wat is er aan dit kind? Wat valt er nu werkelijk te zien?
Feitelijk niks. Maar toch zijn ze enthousiast.
Ja, ze hóren van alles over dat kind, maar dan nog. Is dit kind niet één groot projectiescherm voor hun eigen verlangen?
Is het alleen maar door hun verlangen, hun hoop dat ze hem zo blij welkom heten?
En wat betekent dat dan voor ons? Kunnen wij op de één of andere manier aanhaken bij al die opgetogen reacties?
Laten we het vandaag aan Mattheüs vragen.
Het lijkt alsof hij een langdradig antwoord geeft. Om het populair te zeggen: Jezus komt niet zomaar uit de lucht vallen. Het heeft met een lange geschiedenis te maken. Met oude profetieen ook. Micha en Jesaja o.a.
Oeroud begint hij zijn evangelie. Om de wortels te vertellen van Jezus, een lange lijst geslachten in Israël, van vader op zoon: verwekkingen. Jezus is er niet zomaar een. Hij heeft een voorgeschiedenis en die is net zou oud als het geloof van Abraham, en die loopt via David en via de ballingschap. Van vader op zoon – het verleden van Jezus. Vrouwen komen even voor in het verhaal, maar bijna niet. Geboren worden is verwekt worden, zoon zijn van een vader. De Messias is zoon van David en van Abraham.
Maar dat loopt op het beslissende moment bij Jezus net een tikkeltje anders. Een soort adoptie door Jozef, vertelt Mattheüs. En vervolgens vertelt ie hoe dat dan ging. Met Jozef en met Maria, en haar bijzondere zwangerschap. Dan is geboren worden een ander woord: geboren worden is gebaard worden, als kind van een moeder. Dat is de andere kant. Jezus, de zoon van Maria.
Je kan dus naar dit kind kijken als een kind van Israël, van de geschiedenis van God en zijn volk, van Abraham en van David en van de vaderen en sommige moederen in Israël.
En je kan hem zien als een wonderlijk geboren kind van Maria: inspiratie van hogerhand, door de Geest van God wordt Hij geboren.
Als Jezus de Messias is, is Hij allebei. Geboren in deze geschiedenis, op deze plaats, geworteld, en geboren op dit beslissende moment, in die inspiratie, nu.
Als de magiërs uit het oosten aankomen, dan zijn zij mensen die helemaal op het moment reageren. Op die ster die ze hebben zien opgaan, op dat moment. Bij hen gaat het om de tijd, om wat er nu gebeurt. ‘Waar is de koning van de joden die geboren is’, vragen ze? Zij gebruiken het woord geboren dat de geboorte zien vanuit de moeder, en vanuit het moment, nu.
Als de koning Herodes zijn spindoctors bij elkaar haalt om de vraag van de wijzen te beantwoorden – dan buigen die zich over de Schriften, over de profeten. Die zien die andere lijn. Zij weten de plaats, waar is hij geboren. En dat is het andere geboren worden, verwekt worden, in de geschiedenis van dit volk, van David.
Bethlehem. Natuurlijk! Daar zal een voorganger vandaan komen die herder is. Hier komt het op uit, die lijn van generatie op generatie. De bewogen omgang van God met zijn volk. Een zoon van David – een koning die zijn volk hoedt.
Als de wijzen dan op weg gaan, dan komen die lijnen samen. De ster, dat moment dat ze hadden waargenomen in het oosten – die ster verschijnt opnieuw. En die ster die wijst de plaats. Die gaat hen voor naar Bethlehem. Dit huis, dit kind, deze moeder. Dat is fantastisch, dat het nu hier is.
Ik las pas een artikel van een vrouw over het moederschap. Zij vertelt: ‘Toen ik aan een vriendin vertelde dat ik zwanger was, toen zei ze ontroerd: Nu ben je nooit meer alleen.’ De schrijfster vond het eerst een beetje al te pathetisch om zo te praten, maar ze was het er achteraf toch wel mee eens. Nu ben je nooit meer alleen. Vanaf nu is alles anders geworden, hoe ik mijn dag indeel, hoe ik bezig ben. Als je zo een geboorte ziet, dan zie je dat er toekomst is geschapen, dan kijk je niet terug, maar vooruit. Dat het vanaf nu anders wordt. Nu ben je nooit meer alleen.
Maar dat kan ook gelden als je het verdriet met je mee draagt zelf geen kinderen te hebben. Een jonge vrouw vertelde me laatst hoe de kinderen van een goede vriendin, hoe een nichtje of neefje haar vragen stellen die er toe doen. En die maken dat haar leven er toe doet. “Waarom ga je weer naar je eigen huis? Waarom blijf je gewoon niet bij ons wonen?”
Een kind doet een beroep op je. Niet zozeer op wat je doet, maar op wie je bent.
En op dat punt vertelt Mattheüs twee verhalen in één. Welk beroep doet dat nu op je? Het ene verhaal is het verhaal van Herodes. Herodes schrikt van het nieuwe. Als gestoken reageert ie. Hij die de macht heeft, voelt zich bedreigd. Een koning die nu geboren is? En ik dan? Het oude verzet zich. En dat wordt niet minder als de geleerden die woorden over Bethlehem citeren. Een voorganger die herder is voor het volk. Een herder als David!
Zoals ook in je eigen leven het nieuwe dat zich aandient, je bang kan maken. Wat is het? Wie is het? Waar brengt het me?
Twee koningen zijn het vandaag, niet Drie Koningen. Herodes en dat kind. Oud en nieuw. En het oude zal zich verzetten met hand en tand. Het oude gaat over lijken om het nieuwe te pakken te krijgen, om verandering te voorkomen. Er is hier maar één koning en dat ben ik!
Ja, en dan die wijzen. Herodes moet er niets van hebben, maar zij staan voor de andere kant. Dat is het tweede verhaal – precies omgekeerd.
De traditie heeft ze als gauw driekoningen genoemd omdat ze zo lijken op die woorden uit de profetie van Jesaja: ze komen van verre, de koningen, met hun geschenken, wierook en goud.
Waarom deze drie? Ja, omdat ze in de profetie staan, vast wel. Mattheüs weet wat ie schrijft.
Maar als je wat verder denkt: goud is rijkdom, geld. Ze brengen uit het oosten hun economie mee voor dat kind.
En wierook – dat heeft met offergave te maken, met geloof. Ook hun religie brengen ze mee voor dat kind.
En mirre, ja mirre, dat stond niet in die profetie. Ze brengen mirre mee en dat zijn kruiden die gebruikt worden bij het balsemen van doden. Zou het een stille verwijzing zijn naar de dood? Of is het toch een teken dat ze ook hun gebruiken, hun cultuur meebrengen en bij dat kind neerleggen? Hun economie, hun rijkdom, hun religie en hun cultuur.
Zoals die ruimtevaartuigen die een paar dingen van de aarde meenemen om in het heelal te laten zien, als er daar ooit leven zou zijn dat het kan begrijpen. Een plaatje van een mens, een geluidsopname, een voorwerp, als er over zoveel lichtjaren ooit anderen zijn die het vinden, dan weten ze een beetje wie we zijn.
Zoals kinderen hun bijzondere geheime cadeautjes verstoppen en begraven totdat ooit iemand het vindt, hele bijzondere dingen moeten dat zijn. Zo brengen ze mee wat ze te bieden hebben. Het staat voor alles wat ze zijn, alles wat ze hebben. Blijkbaar past dat bij dat kind. Dat je je geeft met wat je te bieden hebt.
Misschien ligt daar een antwoord op die vraag van het begin. Als wij ons afvragen hoe we op de een of andere manier mee kunnen aanhaken, mee kunnen doen in die blijdschap die rondom Kerst hangt. Als wij het nieuwe dat begonnen is ook werkelijk willen gaan leven. Dan begint het dus bij de plaats, bij die verworteling. Heel concreet: de levensgeschiedenis van God met zijn volk. Jezus verbindt iedereen die Hem serieus neemt met die bijzondere geschiedenis. Dat is één.
Maar wil het ons echt raken, ons mensen uit de volken, dan zullen we dat ‘nu’ moeten laten gelden. Dat moment, die ene ontmoeting met wat onaanzienlijk is en klein. De verrassing dat we hier herkennen wat we eigenlijk altijd al gehoopt hadden, verlangd.
Alles blijkt op dat ene, onaanzienlijke beginnetje van dat kind uit te komen. Dat kun je niet afdwingen natuurlijk. Dat is iets waar je naar uitkijkt. Waar je op allerlei manieren naar kan zoeken. Maar dat het gebeurt – dat kun je alleen maar laten gelden. Als je het maar ziet, zo klein als het is.
Mattheüs zegt ons dat dit je overkomt als je Jezus ontmoet. En dat je vervolgens niet meer luistert naar de macht van de koning die zich bedreigd voelt naar alles wat er bestaat en niet wil veranderen. Dat je niet meer omkijkt. En dat je alles wat je te bieden hebben, voorlegt, aan die ene. Met grote blijdschap. Dat is een verandering. Vanaf nu ben je nooit meer alleen. Amen.
Lied: Lied van verlangen t Sytze de Vries m gezang 168
Diep in mij koester ik een licht,
een onuitwisbaar vergezicht,
dat steeds weer mijn verlangen voedt
en mij de morgen open doet.
Reikhalzen naar wat komen gaat,
naar wat voorbij de einder staat,
dat levenslange pelgrimslot,
dat is het leven met mijn God.
Vaak wankelt onderweg dit licht,
en raken doel en zin uit zicht.
Dan vind ik mensen op mijn weg
waarin Hij mij nieuw vuur toezegt.
Is God een stem, nog nooit gehoord,
de hemel een versleten woord,
als mij mijn angst het zicht ontzegt,
dan wijst de liefde mij de weg.
De fakkel van dit vergezicht
is doorgegeven als een licht
dat wankel brandt in weer en wind,
maar in een Kind beschutting vindt.
Fel is het opgelicht in hem,
God kreeg in al zijn woorden stem.
Hij straalde van barmhartigheid,
verbrandde aan zijn vurigheid.
Nog vult hij mijn verlangen in,
ik ga de weg die hij ook ging.
Hij brandt in mij en smeult daar door,
dit vuur, zo vaak in as gesmoord.
Wij wakkeren zijn vonken aan
tot vurig alle mensen gaan
reikhalzen naar het zalig slot
van al dit wandelen met God.
Slotlied A. Bronswijk, Rakelings Nabij, pag. 64 (melodie: Psalm 116)
1. Geschonken krijgen wij een zee van tijd.
Het nieuwe jaar ligt als een kuststrook open
en nodigt ons haar stranden te belopen,
het voetpad tussen nu en eeuwigheid.
2. De tijd ligt vóór ons met z’n eb en vloed:
bekende stromen en nieuwe getijden,
dagen van rouw, of uren van verblijden
en overal uw stem die ons ontmoet.
3. Uw weidse ruimte nodigt mensen uit,
om volop op hun toekomst aan te leven.
Moed om te zijn door moed om zich te geven.
Een nieuwe tijd vraagt om een nieuw geluid!
Zegen:
In ons hart en in ons huis - de zegen van God.
In ons komen en in ons gaan - de vrede van God.
In ons leven, op onze zoektocht - de liefde van God.
Bij het einde, nieuw begin
de armen van God om ons te ontvangen,
thuis te brengen. Amen
Iona Abbey Worship Book;
ds. Martin Snaterse